Het was een heerlijke herfstdag omstreeks 1838. In dien tijd stond er in Upsala een hoog, geel geschilderd huis,—verdeeld in een boven- en benedenhuis—, wonderlijk eenzaam op een kleine weide, ver weg, aan den buitenkant van de stad. ’t Was een vuil, somber huis, maar ’t werd versierd door een massa wilde wingerd, die er tegen op groeide en aan de zonzij zóó hoog tegen den gelen muur op gekropen was, dat hij de drie vensters van de bovenwoning geheel omlijstte. In een kamer achter een van die vensters zat een student te ontbijten. Hij was een groote, knappe, jonge man met een aristocratisch uiterlijk. Hij droeg het fraai krullend haar hoog opgestreken boven ’t voorhoofd en één lok gleed tel…
Jouw steun betaalt de vertaling van deze klassiekers naar meer talen.
Steun voor $12/maand DonerenAbonnees lezen met directe vertaling, zonder te wachten op de dagelijkse gratis limiet.