Donderdag te Rotterdam. In de steeg voor ’t Stadhuis een oppropping van sleeperswagens, boerenkarretjes, trouwkoetsen. De ruwe, bruine kerels op de wiebelende bokken der lage, plompe voertuigen rukken nijdig-vloekend, aan de teugels, dat de bekken der paarden in rimpelige krullen naar achteren dreigen te barsten. Een boer, de groote voeten in klompen, waaruit stekelig-harde hooibossen opschieten, schreeuwt met hoogrood, bol gezicht en kwaadaardige, kantige gebaren, tegen een viezen slagersjongen, die met z’n bloederigen handwagen in de klit verward zit. Angstig loerend, kijkt de koetsier van de helderblinkende trouwkoets opzij, vol vrees aangereden te worden. Nieuwsgierigen luieren op de st…
Jouw steun betaalt de vertaling van deze klassiekers naar meer talen.
Steun voor $12/maand DonerenAbonnees lezen met directe vertaling, zonder te wachten op de dagelijkse gratis limiet.