In den avond van den 4den Februari 1885, had de schrijver dezer bladzijden in eene buitengewone vergadering van de Indologische Vereeniging te Delft eene lezing gehouden over »de opium in Ned. Indië.” [1] Bij terugkeer naar ’s-Gravenhage evenwel betuigde een der hoorders zijn leedwezen, dat het onderwerp in zoo’n droog kleed gestoken was, en beweerde, dat die behandeling, zooals zij voorgedragen was, ongenietbaar voor het groote publiek genoemd moest worden, wat z. i. jammer was. Dat ik bij het vernemen van die woorden, die niets van eene loftuiting, wel het tegendeel daarvan hadden, vreemd opkeek, zal wel niet betuigd behoeven te worden.…
Jouw steun betaalt de vertaling van deze klassiekers naar meer talen.
Steun voor $12/maand DonerenAbonnees lezen met directe vertaling, zonder te wachten op de dagelijkse gratis limiet.