Ei! ziet, wat schoonder Zon verlaat de Zuider palen[1], Opheffend' haar perruik, die op de vorsten smaalt[2] Met steenen, daar natuur op 't Goddelijkst meê praalt; Wat ijver perst haar doch zoo wijd te loopen dwalen? Hoe nu, is 't om een peerl nog aan haar kroon te halen? Ach! neen, de liefd' die heeft haar eedle borst gewond, Om smaken, hoe den dauw, uit 's wijzen konings mond, Veel liefelijker vloeit als honig in de dalen;…
Jouw steun betaalt de vertaling van deze klassiekers naar meer talen.
Steun voor $12/maand DonerenAbonnees lezen met directe vertaling, zonder te wachten op de dagelijkse gratis limiet.