't Loof kleurde om de kruin der boomen, die achterwaarts stonden, statig en hooge, in den diepen hof; en 't lager plantsoen van 's gelijken verfde bij plaatsen, onder 't komend gewaai van den herfst, zijn bladeren geel of rossig, of rood lijk kastanjeslutsen, of klaar lijk een licht daar ievers. Goedele keek precies ernaar, door 't venster, en hoe de avond eromme al donkerend viel, keek ze, en hoe stilaan dieper de holten werden der wegdeinende dreven--en hoe eene waarachtige droefenisse uit den hemel zeeg. Ze leunde tegen 't raam. Ze tokkelde met hare vingeren zoetekens tegen de ruiten, zonder weten, op eenmatige wijs, en ging mee, al wijder en wijder, met hare verre gedachten. Altemets st…
Or read it translated: 日本語 · 中文 · हिन्दी · Español · العربية · Français · বাংলা · Português · Русский · Bahasa Indonesia · اردو · Deutsch · Kiswahili · 한국어