Johan Doxa, de vader, verkocht speelgoed in de Zespenningstraat, een grijze wijk van nauwe steegjes, midden in de Lage Stad. Hij had er een smal winkeltje met een gebroken drempelzuil, een vunzigen gang en een groen-houten hekje, waarop, tenden een buigzaam veerijzer, een waarschuwende bel vastgehecht was. Het winkeltje was grauw, haast donker. De roode tichelvloer gloeide langzaam op uit de halve donkerte, maar de vierkante toog somberde, gelijk een harde, massale schaduw, vlak onder het venster, dat met zijne menige uitstalling, de dagklaarte buiten hield. Die toog droeg een verscheiden weelde van lekkernijen, muntebollen, lekstokken, stampers, ovenbeesten, kramellen, kletskoppen en amande…
Or read it translated: 日本語 · 中文 · हिन्दी · Español · العربية · Français · বাংলা · Português · Русский · Bahasa Indonesia · اردو · Deutsch · Kiswahili · 한국어